PISA – een tijdelijke scheeftrekking?

Deze week ontstond er wat lawaai toen de OECD de resultaten bekend maakte van het Programme for International Student Assessment 2015, ook gekend als het PISA-onderzoek. Maar was dat lawaai wel zo nodig?

PISA test elke drie jaar de wetenschappelijke en wiskundige geletterheid alsook de leesvaardigheid bij 15-jarigen vanover de hele wereld. Op basis van de scores stelt de OECD dan een internationale ranking op voor de drie geteste vaardigheidsdomeinen. De OECD is mee met zijn tijd en berekent voor België naast de nationale ook de regionale scores.

 Vlaanderen scoort traditioneel goed op PISA. Vooral voor wiskunde behoren we tot de internationale top. Dat was in 2015 niet anders, al zakken we elk triannum enkele plaatsen, meestal ten voordele van geel-Aziatische landen of regio’s. Bovendien scoren onze Vlaamse 15-jarigen vooral sterk op de lagere moeilijkheidsgraden, die neerkomen op papegaaienwerk. Op het macro- en het metaniveau loopt het een pak minder vlot. Een andere trend die al enige tijd terugkeert, is de kloof tussen autochtone en allochtone leerlingen, in het nadeel van die laatsten.

 De onderwijskloof tussen autochtoon en allochtoon leidde tot heel wat reacties op sociale en regulieren media. Minister van Onderwijs Crevits noemde meteen de factor “taal” als voornaamste reden voor de achterstand. Ze werd daarin gevolgd door zeer veel mensen. Enkele onderzoekers van de VUB wezen in De Morgen naar het hoogste diploma van de moeder als beïnvloedende factor. Op Twitter las ik nog verwijzingen naar de leerkrachten, naar bepaalde religies en alles wat daarmee geassocieerd kon worden. De vraag is of al die drukte wel zo nodig was.

 Tijdens mijn opleiding taalkunde aan de VUB heb ik flink wat wetenschappelijke literatuur verorberd over taalachterstand en PISA en tweedetaalonderwijs. Meestal kwam die literatuur erop neer dat onze scholen meer tegemoet moeten treden aan de leefwereld van de anderstalige leerlingen. Ook las ik dat het een kind (autochtoon of allochtoon) ongeveer 3 jaar kost om spreektaal te leren en tot 9 jaar kost om de schoolse variant van een taal onder de knie te krijgen. Nergens, echter, las ik hoe een school dat voor mekaar zou moeten krijgen zonder de eindtermen los te laten.

 Al een hele tijd vraag ik me af of anderstalige nieuwkomers niet wat meer geduld moeten hebben. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bijna overal ter wereld anderstalige migranten binnen maximaal drie generaties hun etnische moederlandtaal inruilen voor de dominante taal in de regio waar ze naartoe zijn gemigreerd. Meestal spreken de grootouders de moederlandtaal met hun kinderen en kleinkinderen, maar spreken de kinderen al de nieuwe taal met de kleinkinderen, die vaak de moederlandtaal niet echt meer beheersen. Die 3-generatie language shift is een wereldwijd geobserveerd fenomeen.

 Daaruit volgt dat taalachterstand in principe een tijdelijke kwestie is die zichzelf oplost. Een aantal factoren zoals endogamie (trouwen binnen de eigen etnische groep) kunnen die taalshift wel vertragen, maar niet tegenhouden. Al vanaf de tweede generatie zouden nieuwkomers geen significante taalachterstand meer mogen hebben. Enkel de eerste generatie zou wat moeten behelpen. Is het werkelijk zo onaanvaardbaar dat nieuwkomers het een generatie zonder (hoger) diploma moeten doen en dus, om maar iets te zeggen, in de Colruyt moeten gaan werken? Hebben onze grootouders geen gelijkaardige offers gebracht?

 Hetzelfde geldt voor de diploma’s van de mama’s. Uit onderzoek van de VUB blijkt dat het hoogste diploma van de moeder, dat als één van de determinanten geldt voor de sociaal economische status (SES) van een leerling, correleert met schoolachterstand. Leerlingen van een moeder zonder diploma hebben meer kans op schoolachterstand. Of ze autochtoon dan wel allochtoon zijn, maakt daarbij niet uit. Maar gegeven de leerplicht en gegeven het tijdelijke karakter van taalachterstand, kan ook de factor moederdiploma alleen maar tijdelijk zijn. Na maximaal drie generaties zou elke moeder van anderstalige afkomst niet alleen over een goede Nederlandse taalvaardigheid moeten beschikken, maar ook over een diploma secundair onderwijs.

 Taalachterstand en moederdiploma mogen dus bepalende factoren zijn, door hun tijdelijke aard lossen ze in principe vanzelf op en hoeven we er ons eigenlijk niet zo druk in te maken. Als dat de factoren zijn, dan zou de kloof vanzelf moeten verkleinen en verdwijnen. Verdwijnt de onderwijskloof niet, dan betekent dat dat er andere factoren in het spel zijn. Aan de academici om dan te onderzoeken welke die factoren zouden kunnen zijn.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s